In 1636 werd in Utrecht de universiteit opgericht. Drie jaar later legde de universiteit bovenop het bastion Sonnenborgh een Hortus Botanicus et Medicus aan, een tuin voor plantkundig en medisch onderwijs. Elke universiteit had een botanische en medische tuin, waar studenten geneeskunde en leerling-apothekers leerden welke planten en delen van planten giftig zijn en welke juist geneeskrachtig. Als studenten de tuin in wilden, moesten ze hun penning laten zien. Dat was hun toegangsbewijs. Leerling-apothekers kregen de penning van het apothekersgilde. Mensen die niet studeerden, mochten niet naar binnen of moesten entree betalen.




























































