Scheikunde op Sonnenborgh

Maar weinig mensen weten dat er in de kazematten van het bastion Sonnenborgh vanaf 1695 een chemisch laboratorium was. Scheikundige Johann Conrad Barchusen had er de leiding over.

Voor die tijd hadden alleen de universiteiten van Oxford en Leiden een scheikundig laboratorium. Maar toen de Duitse Johann Conrad Barchusen naar Utrecht kwam, veranderde dat. Barchusen had scheikunde en farmacie gestudeerd in Wenen en een tijd als arts bij het Venetiaanse leger gewerkt. In 1694 kwam hij naar Utrecht om les te geven in chemie. Op 8 april 1695 besloot het bestuur van Utrecht, de vroedschap, dat "de ledige woninge op 't bolwerck, daer den hortus op is" zou worden ingericht als "laboratorium chimicum". Daarmee was het eerste Utrechtse chemisch laboratorium een feit.

Een laboratorium in Utrecht
Barchusen was niet de eerste die in Utrecht het vak chemie gaf. In 1668 was Carel de Maets docent chemie geworden, maar hij vertrok al snel naar Leiden. Daar mocht hij een eigen laboratorium inrichten en werd hij benoemd tot hoogleraar in de scheikunde. Het lijkt erop dat de stad spijt had dat De Maets zo snel naar Leiden was gegaan. Om te zorgen dat Barchusen wel in Utrecht zou blijven, kreeg hij het aanbod om in het oude bastion zijn laboratorium op te zetten. Een aanbod dat hij niet kon weigeren.

Pyrosophia
In zijn boek Pyrosophia (‘kennis van het vuur’) uit 1698 gaf Barchusen een uitgebreide beschrijving van de instrumenten die hij gebruikte voor zijn experimenten. We kunnen aannemen dat hij dat leerboek gebruikte bij zijn colleges aan studenten. In het boek zit ook een programma. Daaruit blijkt dat Barchusen tussen 1695 en 1697 praktische demonstraties gaf in het laboratorium. In 1718 werd het boek nog een keer uitgegeven, maar toen met de titel Elementa Chemiae (‘elementen van de chemie’).

De eerste specialist
Barchusen had een bijzondere positie bij de Utrechtse universiteit. Hij was eigenlijk de eerste specialist die bij een universiteit werkte. In die tijd was het normaal dat hoogleraren zich met meerdere vakgebieden tegelijk bezighielden. Barchusen deed dat niet. Hij was negenentwintig jaar lang alleen met scheikunde bezig. Het voordeel daarvan was dat hij meer verschillende onderdelen van de chemie kon onderzoeken dan zijn collega’s, die scheikunde vooral als ondersteuning voor geneeskunde zagen. Doordat Barchusen zijn eigen laboratorium had en heel specialistisch werkte, kon hij de chemie als zelfstandige wetenschap op de kaart zetten.

Na Barchusen
Barchusen stierf in 1723. Waarschijnlijk heeft zijn laboratorium er daarna twee jaar werkloos bijgelegen. Rond 1725 werden de instrumenten overgebracht naar het Theatrum Chemicum in het Theatrum Academicum aan de Lange Nieuwstraat. Daar was ook de nieuwe botanische tuin van de universiteit.

Een vondst van betekenis
In 2000 ontdekten archeologen de plek waar het in 1695 allemaal begon. De stookovens en de plavuizen vloer van het laboratorium kwamen bijna onbeschadigd onder de aarde vandaan. Samen met de scheikundige instrumenten die er zijn gevonden geven ze een mooi beeld van een opmerkelijke episode in de geschiedenis van het oude bastion. De geschiedenis van de chemie én de geschiedenis van Sonnenborgh hebben hiermee een bijzonder nieuw hoofdstuk gekregen.

Meer informatie

Scheikunde J.C. Barchussen

 

Terug
© 2012 Sonnenborgh - museum & sterrenwacht